vrijdag 28 oktober 2011

één uit het water

Vanmorgen moest het bootje weer uit het water. Het is weer gedaan met het zeilseizoen, we gaan een hele herfst en winter wachten tot het ie weer het water in kan. We hebben de zeilen er afgehaald, de mast naar beneden gedaan en de kuip zo goed mogelijk geschrobd. Of nou ja, we, de Kale heeft geschrobd. Ik keek toe vanaf de steiger, genoot van het zachte weer en van de manier waarop de Kale zich bewoog in dat bootje.
Het schrobben had eigenlijk niet zo veel zin, want er lagen kilo's blaadjes in die hij niet weg kreeg. De Kale gaf het dan ook al vrij snel op en ging over tot het aanzwengelen van de motor, wat niet geheel vlekkeloos verliep omdat de bezinetoevoer het een beetje niet deed. Ik vouwde intussen de zeilen op en rommelde er een beetje omheen.
Eindelijk hadden we, excuus, had de Kale, het motortje te pruttelen en poeften we naar de plek waar het bootje uit het water zou worden getakeld. Toen ons nummer één (de volgende boot gaat twee heten) in de banden hing, zo zwevend boven het water, en later boven de grond, vond ik dat het leek of ie ziek was. Ik bedoel, het is niet de plek waar dat bootje thuishoort. Dat bootje hoort in het water waar hij kan doen waar hij voor gemaakt is, namelijk varen.
Toen één op de bok stond, vroeg de Takelman of wij wel zagen dat de achterkant van de kiel een beetje scheef stond. Nou, dat zagen we inderdaad, en toen ik de Kale vroeg of dat kwaad kon, haalde hij zijn schouders op en zei hij dat het niet zoveel uitmaakte, hoogstens dat ie daardoor niet aan alle kanten even lekker liep. Ik geloofde de  Kale wel, en ach, nou ja, ietsje een afwijking mag toch best?
Hebben we daar allemaal bij tijd en wijle niet eens last van?