Na het eten ging ik met Dochter de stal doen. Want: paardje, poepen, mest en dat moet schoon. Elke dag maar weer. We waren snel klaar. Mooi, dacht ik, dan gaan we weer naar huis. Dochter dacht daar anders over. 'We kunnen nog wel even naar de zandverstuiving,' zei ze.
'Want?' vroeg ik.
'Daar rijden een paar vriendinnen van me en er is een fotograaf mee, en ik vind het wel leuk om even te kijken.'
'Maar ik heb slippers aan,' zei ik.
'Ik klompen. Of dát lekker is. Nou, gaan we?'
Dus togen we naar de zandverstuiving. We moesten een trap op, een rotding, zo hoog, via het bos naar het mulle zand. Wij kijken, maar geen paard en vriendinnen te zien.
Dochter belde met vriendinnen, bleken we de verkeerde verstuiving te hebben.
Zuchten, terug naar de auto, verder gereden, geparkeerd. Wéér lopen, een stuk verder dit keer. Mooi hoor, maar o, die rotslippers. En het is zomer (bijna) dus schieten de kloven er weer bij me in. Hele geulen heb ik in mijn voeten, en pijn dat ze doen.
Maakt niet uit verder, want de uiteindelijke beloning was werkelijk adembenemend: paardjes die keihard galoppeerden, het geluid dat dat maakte, opstuifend zand rondom hun hoeven, de zon die met haar laatste stralen de vlakte verlichtte, de gelukzalige gezichten van de meiden die erop zaten. Ik had het voor geen goud willen missen!